Dit is een reactie op een opiniestuk in NRC van 21 juli.
Op 21 juli schreven Barbara Baarsma, hoofdeconoom bij PwC en hoogleraar aan de UvA, en haar collega Gundars Gulbis een opiniestuk in NRC met als titel ‘Hoe het rentebeleid de ongelijkheid vergroot’. Het gaat over de invloed van het monetaire beleid op de vermogensverdeling. Ik was het zeer oneens met dat stuk en heb een reactie naar de opinieredactie van NRC gestuurd. Die hebben mijn stuk echter niet geplaatst. BNR wilde mijn verhaal wel plaatsen. En wel vandaag. Het onderstaande is een iets andere versie van in essentie hetzelfde betoog.
Ik ken Barbara al jaren als een vakgenoot en ervaar haar als een innemend persoon en gerespecteerd econoom. Ze is creatief en productief, ze analyseert scherp, durft stelling te nemen en heeft altijd beleidsvoorstellen. Eerlijk gezegd ben ik het regelmatig niet met haar eens, maar dat neemt niet weg dat ik haar werk respecteer.
Het is niet voor het eerst dat ik verhalen lees over de verdelingseffecten van monetair beleid. Toen de centrale banken in de grote financiële crisis, ruim vijftien jaar geleden, de rente sterk verlaagden, was er de nodige morele verontwaardiging omdat, zo werd betoogd, de dalende rente de rijken rijker maakte. Zowel in absolute zin als relatief ten opzichte van minder gefortuneerden. Immers, rijken bezitten relatief veel vermogenstitels met een hoge rentegevoeligheid, duratie in het vakjargon, zoals onroerend goed, langlopende obligaties en aandelen. De waarde daarvan wordt opgestuwd door een dalende rente. Dat is een eenvoudig ‘duratie-effect’.
Omgekeerd
In hun opiniestuk betogen Baarsma en Gulbis precies het omgekeerde. Volgens hen worden de rijken juist bevoordeeld door de sinds begin 2022 opgelopen rente. Meer in het bijzonder richten ze zich op de top-1% meest vermogenden. Die zouden nog rijker worden door de stijging van de rente. De centrale banken moeten zich daar rekenschap van geven volgens Baarsma en Gulbis en de overheid moet dit verdelingseffect van een hogere rente compenseren door hogere tarieven op kapitaalinkomen en vermogenswinsten voor die top-1%.
Het kan niet allebei waar zijn: rijken kunnen niet van zowel renteverlagingen als renteverhogingen rijker worden. Als rijken toch onder beide omstandigheden rijker worden, zijn er kennelijk andere factoren in het spel en heeft dat rijker worden niet veel met rentebewegingen te maken.
Ik wil best geloven dat rentebewegingen, zeker op korte termijn, invloed hebben op de inkomens- en de vermogensverdeling. Het betoog van Baarsma en Gulbis overtuigt echter geenszins. Het duratie-effect op de prijzen van vermogenstitels is onomstreden. Bijvoorbeeld: een daling van de rente ondersteunt de huizenprijzen en de aandelenkoersen. Rijken profiteren daarvan, want zij bezitten meer huizen en aandelen dan armen. Oneerlijk, vonden velen rond 2010. Het omgekeerde, een stijging van de rente, zoals vanaf begin 2022, drukt de waarde van rentegevoelige vermogenstitels in principe. Weer oneerlijk, vinden Baarsma en Gulbis nu, want zo krijgen rijken de kans meer huizen (en aandelen) tegen een zacht prijsje te kopen. Bovendien kunnen rijken volgens Baarsma en Gulbis het zich veroorloven deskundig advies in te winnen bij een verandering van de rente, wat de ongelijkheid evenzeer zou vergroten. Zo lust ik er nog wel een. Dit soort betogen zijn Baarsma en haar werkgever PwC onwaardig.
Het wonderlijke is ook dat Baarsma en Gulbis zich opwinden over de effecten van rentestijging op het rijker worden van de top-1%. De rente is na 1981 veertig jaar lang structureel gedaald. Hoe heeft dat volgens Baarsma en Gulbis dan uitgepakt voor de 1%-rijksten?
Obscuur
Inmiddels is er enige wetenschappelijke literatuur op het gebied van monetair beleid en verdelingseffecten. Het is allemaal vrij obscuur en in hoge mate technisch-econometrisch. Voorzichtigheid bij het maken van beleid lijkt me daarom geboden. Graag wijs ik op twee zaken. Ten eerste beweegt de rente in golven. Soms stijgt ze, dan weer daalt ze. Als je, zoals Baarsma en Gulbis bepleiten, maatregelen neemt die ongewenste verdelingseffecten van een rentestijging corrigeren, draai je die dan om als de rente weer daalt?
Ten tweede richten Baarsma en Gulbis zich op de top-1% rijken. Bij het nemen van maatregelen, moet je dan wel erg trefzeker zijn. De kans is groot dat het gekozen beleid onvoorziene – en ik hoop onbedoelde – effecten heeft op een veel grotere groep mensen met enig vermogen.
Het betoog van Baarsma en Gulbis getuigt van de obsessie die in ons land bestaat met betrekking tot de ongelijkheid in de inkomens- en vermogensverdeling. Hoewel hun verhaal refereert aan genuanceerd onderzoek, namelijk de effecten op de top-1% rijken, voeden ze een breder, maar vaag, oppervlakkig en subjectief gevoel van (on)rechtvaardigheid over inkomens- en vermogensverschillen.
Piketty
Met de verkiezingen in aantocht zullen we ongetwijfeld weer overvloedig geconfronteerd worden met de obsessie met de al dan niet rechtvaardige inkomens- en vermogensverdeling. Sommige partijen zullen traditiegetrouw een soort monopolie en alwetendheid claimen op rechtvaardigheid.
Toen Thomas Piketty zijn ‘Kapitaal in de 21e eeuw’ in 2013 had gepubliceerd, waarin hij een toenemende ongelijkheid beschreef, die zijns inziens met belastingverhogingen moest worden bestreden, werd hij als een held naar de Tweede Kamer gehaald om zijn verhaal te doen. Dat verhaal strookte toen hij het uitsprak al niet met de cijfers die zijn eigen database voor Nederland bevatte. Die lieten niet of nauwelijks enige toename van de inkomensongelijkheid in ons land zien. Ze lieten zelfs zien dat de inkomensverschillen bij ons klein zijn in internationaal perspectief. Toen de Piketty-aanhangers dat uiteindelijk ook in de gaten kregen, werd het vizier gericht op de vermogensverdeling. Die zou bij ons buitengewoon scheef zijn. Daar moest iets aan gebeuren.
Het is niet eenvoudig de vermogensongelijkheid goed te meten en internationale vergelijkingen zijn heel problematisch, vooral vanwege verschillen in de beschikbaarheid en de kwaliteit van de data. Een simpele, maar beperkte maatstaf is de Gini-coëfficiënt. Die is voor ons land vrij constant en duidt op een in internationaal perspectief gelijkmatige vermogensverdeling.
Drie jaar geleden verscheen een rapport van een interdepartementale werkgroep van ambtenaren over de vermogensverdeling in ons land. De conclusie was dat die vrij constant is, in lijn met de ontwikkeling van de Gini-coëfficiënt. Over de invloed van stijgende of dalende rente, waar Baarsma en Gulbis nu over schrijven, werd niet gerept. Wel bleek de ongelijkheid groter dan gedacht. Dat laatste had voornamelijk te maken met de 1% meest-vermogenden, die meer vermogen in ‘aanmerkelijk belang’ bleken te bezitten dan eerder verondersteld. Dat rapport uit 2022 neemt pensioenen uit de tweede pijler overigens niet mee, al zegt het rapport wel dat het pensioenvermogen niet “de grote gelijkmaker” is. Ik betwijfel dat. Zoals gebruikelijk in dit soort analyses blijven uitkeringen eveneens buiten beschouwing. Die betreffen immers het inkomen en niet het vermogen. Maar als iemand een vaste uitkering of toeslag ontvangt, zou je de contante waarde daarvan ook als vermogen kunnen zien. Dat tikt aan in ons land, want er wordt jaarlijks voor ruim EUR 100 mrd uitgegeven aan sociale zekerheid (waarvan ongeveer de helft aan AOW) en de overheid geeft jaarlijks ook nog eens zo’n EUR 100 mrd uit aan de zorg, waar iedereen, ongeacht inkomen of vermogen, van profiteert.
Verdacht
Wat ik zo kwalijk vind aan de discussie over de inkomens- en vermogensongelijkheid – en het is teleurstellend dat Baarsma daaraan bijdraagt – is dat economisch succesvol zijn zonder veel nuance verdacht wordt gemaakt. Dat iemand economisch succesvoller is dan een ander moet wel oneerlijk zijn en behoeft correctie. Dit soort denken draagt bij aan de verdere ondermijning van het toch al slinkende verdienvermogen van onze economie. Uiteindelijk wordt toekomstige generaties hierdoor grote schade toegebracht, ook de potentieel minder-vermogenden. O, Nederland, let op uw saeck!