Dat is de titel van mijn column die deze week op Investment Officer staat.
Hier is de tekst.
Met enige verbazing heb ik de speech van ECB-president Christine Lagarde beluisterd bij de opening van de ‘Sintra-conferentie’ van de ECB. Ze sprak onder andere over de veerkracht (“resilience”) van de Europese economie. Veerkracht is niet de eerste associatie die de Europese economie bij mij oproept, maar ala.
Lagarde somde een aantal voorbeelden op waaruit die veerkracht zou blijken. Haar eerste voorbeeld was dat Europese banken niet in de problemen zijn gekomen door de teloorgang van de Amerikaanse Silicon Valley Bank (SVB) in 2023. Dat had er nog bij moeten komen, dacht ik. SVB had beperkte internationale vertakkingen en een balanstotaal dat slechts een vijfde was van ING, nog geen derde van de Rabobank en ruim de helft van ABN AMRO.
Een ander voorbeeld van de veerkracht van Europa zou volgens Lagarde blijken uit het feit dat de Europese economie niet is ontspoord door de energiecrisis die volgens de door haar geciteerde baas van het IEA ernstiger zou zijn dan die van 1973, 1979 en 2002 samen. Die bewering van het IEA lijkt me schromelijk overdreven.
Mijn verbazing nam toe toen Lagarde over inflatie begon. Ze zei dat de ECB heeft geleerd van 2021/22 toen hun inflatieprojecties ondeugdelijk bleken. Mooi, dacht ik. Vervolgens zei ze dat de ECB nu veel betere modellen heeft om de inflatie te voorspellen. Ze bracht het met een stelligheid alsof ze daar in Frankfurt de ‘holy grail’ van inflatievoorspellingen hebben gevonden.
Ik geef toe dat ik geen fan van Lagarde als ECB-baas ben en daarom misschien bevooroordeeld. Een jurist op een functie die mijns inziens door een econoom vervuld moet worden… het is me een gruwel. Elke econoom houdt bij voorspellingen een slag om de arm. Ik heb in mijn leven veel economische variabelen voorspeld en juist als je denkt dat je weet hoe het zit, blijkt het toch weer anders uit te pakken. Met zulke lessen in bescheidenheid hebben juristen kennelijk weinig ervaring.
Lagarde had haar grote vertrouwen in de trefzekerheid van de inflatievoorspellingen van de ECB nog maar nauwelijks uitgesproken toen Eurostat het inflatiecijfer over juni publiceerde. Met 2,8% voor de eurozone was dat duidelijk lager dan verwacht. Daar ga je, Christine, dacht ik.
Volgens de ECB zal de inflatie in de eurozone dit jaar 3,0% zijn. In de eerste zes maanden was het gemiddelde 2,5%. De voorspelling van de ECB kan natuurlijk nog wel uitkomen, maar dan moet de inflatie in de tweede helft van het jaar gemiddeld 3,5% bedragen. Dat lijkt mij onwaarschijnlijk.
Ik beschik niet over de complexe modellen die de ECB de laatste jaren kennelijk heeft ontwikkeld. Mijn benadering is vrij simpel. Bij de publicatie van de inflatiecijfers geeft Eurostat afzonderlijke cijfers voor vier categorieën goederen en diensten. Energie (met een gewicht van 9% in de eurozone inflatiemand) was in juni nog 8,7% duurder dan een jaar eerder, na 10,8% in mei. Als de olieprijs niet opnieuw oploopt, zal de prijsstijging van energie voor consumenten de komende maanden verder afnemen.
Voedselprijzen (19% van de inflatiemand) waren 1,6% hoger dan een jaar eerder. Hoewel voedingsmiddelen door de hoge energieprijzen de komende maanden wat duurder kunnen worden, volgen de voedselprijzen in principe echter vooral de wereldmarktprijzen met een maandenlange vertraging. De ontwikkeling van de wereldmarktprijzen geeft vooralsnog geen aanleiding binnenkort een scherpe stijging van onze voedselprijsinflatie te verwachten.
Industriële goederen (25% gewicht) waren 0,9% duurder in juni. China produceert ongeveer een derde van alle industriële goederen in de wereld en dat land kampt met een snelgroeiende overcapaciteit. Ook al geen reden veel opwaartse druk op de inflatie te verwachten.
De prijzen voor diensten, tenslotte, (47% van de mand) lagen in juni 3,2% hoger dan in juni 2025. Doordat veel diensten arbeidsintensief zijn, wordt de diensteninflatie sterk beïnvloed door de loonstijging. En die gaat juist al een tijd heel geleidelijk naar beneden. Het zou mij derhalve verbazen als de inflatie in de eurozone in de tweede helft van het jaar 3,5% bedraagt, zoals de voorspelling van de ECB impliceert.
Per saldo denk ik daarom dat de renteverhoging door de ECB in juni prematuur was. Nu wil ik het ook niet dramatiseren. Schade zal die renteverhoging niet aanrichten. Anders dan na de eenmalige renteverhoging in 2008 en de dubbele renteverhoging in 2011 zal de ECB daarom niet gedwongen zijn snel rechtsomkeert te maken, al denk ik evenmin dat de ECB zich met de renteverhoging van juni in glorie hult. Als later blijkt dat ik de plank hier missla, zal ik uitgebreid door het stof gaan.