Door de vingers glippen

dat is de titel van mijn column deze week. Bijvoorbeeld te vinden op de site van investment officer.

Hier is voor het gemak de volledige tekst.

Onze energiesituatie en ons energiebeleid doen mij denken aan een van die prachtige cartoons die Peter van Straaten maakte en die ik lang geleden in mijn geheugen heb gegrift. Op de tekening stond een vader die neerkeek op zijn slungelachtige zoon die op de grond tegen een boom zat en totale passiviteit uitstraalde. In een poging zijn zoon tot enige activiteit aan te zetten vroeg de vader of de jongen niet het gevoel had dat het leven hem als zand door de vingers glipte. Het antwoord van de zoon was dat je in dat geval het best zo stil mogelijk kunt blijven zitten.

Terwijl de VS hun zelfvoorzieningsgraad in olie en gas tussen 2000 en 2022 van ca. 60% naar ca. 100% hebben gebracht, is de Europese zelfvoorzieningsgraad voor olie gedaald van 43% in 2000 tot 22% in 2022 en voor gas van 55% naar ca. 44%. Maar dat laatste gaf niet, want we importeerden op een goedkope manier gas uit Rusland. Nou ja, tot we dat niet meer wilden. Nu importeren we veel duurder LNG waardoor onze energieprijzen structureel hoger liggen dan in de VS. De Chinezen voorzien voor een groot deel van hun energiebehoefte door kolen te stoken en zijn daardoor ook veel voordeliger uit dan wij

Met volle kracht vooruit

In de Telegraaf van 7 mei pleiten Lucia van Geuns en Jilles van den Beukel van het HCSS ervoor om de energietransitie fors te versnellen. We ontkomen er immers niet aan, betogen Van Geuns en Van de Beukel, omdat we niet zelfvoorzienend zijn in fossiel en vanwege geopolitieke verhoudingen niet afhankelijk moeten zijn van landen waarmee we geen optimale relatie hebben. Dus volle kracht vooruit met de transitie. Daar zit natuurlijk wat in. Wat dat opiniestuk echter niet vertelt is wat de kosten zijn en hoe die onze concurrentiepositie in de wereld beïnvloeden. Denken we dat die er niet toe doet?

Niet alle ontwikkelingen rond de energietransitie stemmen optimistisch. De problemen met de netcapaciteit voor elektriciteit zijn genoegzaam bekend. Hele wijken ‘van het gas afhalen’ is nog geen doorslaand succes. Dan is er de problematiek van de salderingsregeling met betrekking tot zonnepanelen. Warmtepompen zijn duur en veel huizen zijn er nog onvoldoende geïsoleerd voor. De suggestie die onlangs werd gedaan dat mensen met spaargeld gedwongen zouden moeten worden in de verduurzaming van hun woning te investeren, kreeg niet overal een warm onthaal. Misschien onderstreept dit alles de oproep van Van Geuns en Van den Beukel, maar ik blijf zitten met de vraag naar de kosten en de invloed op onze economie, onze concurrentiepositie en daarmee op de welvaart.

Vergeet ons verdienmodel niet

Op de voorpagina van het FD van 8 mei stond een groot artikel over hoe Nederland ver achteropraakt op het gebied van waterstof. Volgens dat artikel is de productie van groene waterstof in Nederland twee keer zo duur als in sommige andere Europese landen. Nu is de rol van waterstof in de toekomstige energievoorziening toch al niet erg duidelijk. Ik ben geen expert en ik hoor over het algemeen enthousiaste verhalen, maar ik heb geleerd juist dan op mijn qui-vive te zijn. Wat ik wel weet is dat voor het produceren van waterstof ongeveer twee keer zoveel energie nodig is als er bij verbranding weer uitkomt. Je gaat waterstof daarom alleen produceren uit energie die je ‘over hebt’, dus wanneer wind en zon meer produceren dan het verbruik. Je moet dus eerst overcapaciteit in zon en wind hebben en in stand houden en dan verlies je nog de helft van wat je gebruikt om waterstof te produceren.  Het lijkt mij niet direct een uitgemaakte zaak dat dat goed rendabel te maken is.

Betaalbare en betrouwbare energie is een cruciale pijler waarop onze welvaart rust. Als we de energievoorziening ingrijpend willen veranderen is dat prima, maar mij bekruipt vaak het gevoel dat we ons verdienmodel daarbij als zand door de vingers laten glippen. Dat zal grote economische, sociale en maatschappelijke gevolgen hebben.