Dit is de titel van mijn tweewekelijkse column zoals die afgelopen vrijdag in de Telegraaf stond.
Hier is de tekst:
Paul Krugman, een bekende Amerikaanse econoom en Nobelprijswinnaar, zei eens ”productiviteit is niet alles, maar op de lange termijn is het bijna alles”. Een gevleugelde uitspraak en Krugman heeft gelijk. Onze levensstandaard wordt bepaald door het aantal uren dat we werken en wat we dan per uur aan waarde voortbrengen, de productiviteit. Aangezien het onmogelijk is almaar meer uren te werken, wat we sowieso niet willen, is een stijging van de welvaart uiteindelijk volledig afhankelijk van een toename van de productiviteit.
De productiviteitsstijging kachelt al decennialang achteruit. Dat is een probleem. Hoewel het concept arbeidsproductiviteit goed te begrijpen is, valt het niet mee om het goed te meten en te duiden. In een recente studie analyseert het CPB waar het mogelijk aan schort en ook het rapport-Wennink richt zich feitelijk op het verhogen van de productiviteitsgroei.
In ons kleine, volle landje met zijn krappe arbeidsmarkt gaat het erom de beperkt beschikbare hoeveelheden arbeid en ruimte zo productief mogelijk in te zetten. Voor de welvaart is het goed dat mensen verkassen van laagproductieve naar hoogproductieve sectoren en dat zoveel mogelijk ruimte wordt gegeven aan hoogproductieve activiteiten. Het CPB constateert echter met enige verbazing dat er maar heel weinig mensen laagproductieve banen verruilen voor hoogproductieve banen. Wennink constateert dat hetzelfde geldt voor de invulling van de ruimte. De oorzaken daarvan blijven onaangeroerd.
Mij lijkt het nogal evident. Zowel arbeid als ruimte zijn hiervoor verkeerd geprijsd. Ik weet wel dat het niet ‘bon ton’ is om te pleiten voor meer marktwerking, maar daar trek ik mij niets van aan. Als beloningsverschillen recht zouden doen aan de verschillen in de productiviteit tussen hoog- en laagproductieve bedrijven, dan zouden mensen echt wel overstappen. Maar we houden niet van de inkomensverschillen die dan zouden resulteren. Zo bezien is de lage productiviteitsgroei de prijs die we betalen voor ‘sociale rechtvaardigheid’ of, zo u wilt om de ‘sociale cohesie te bewaren’. Die keus valt op zich wellicht te billijken al dient er dan wel aan te worden toegevoegd dat de levensstandaard van iedereen waarschijnlijk hoger zou zijn bij minder gelijkheid.
Bij de beprijzing van de ruimte is nog veel minder sprake van het marktmechanisme dan op de arbeidsmarkt. De regels van de ruimtelijke ordening leiden tot een strikte segmentering van de ruimte in economische zin. Wat de eigenaar bij verkoop van zijn grond kan krijgen, wordt grotendeels bepaald door het bestemmingsplan. Grond waarop woningen mogen worden gebouwd is veel meer waard dan landbouwgrond. Als de politiek graag minder boeren wil, kan dat heel simpel door boeren toe te staan hun grond te verkopen als grond waarop gebouwd mag worden. Maar dat willen we niet.
Soms is economie echt heel simpel. Onze lage productiviteitsgroei is een keuze.