Mathijs heeft het weer eens gemunt op de pensionado

In zijn (altijd lezenswaardige) korte column in het FD van 22 december somt Mathijs Bouman een aantal beslissingen op die in 2023 zijn genomen waarbij het advies van economen is genegeerd. Over de AOW schrijft hij het volgende. Ik citeer: “Het kabinet verhoogde het minimumloon (begrijpelijk en betaalbaar), maar het parlement eiste dat de AOW mee zou stijgen (onbegrijpelijk en onbetaalbaar). Economen stelden dat de armoede onder ouderen juist gering is en hogere AOW zowel de rijksbegroting als de solidariteit tussen generaties uit balans zou gooien. Niemand luisterde.” Ik erger mij groen en geel aan zo’n tekst, al is het wel juist dat veel economen erover denken zoals Mathijs. Zie bijvoorbeeld R. Gradus en P. Koning, ‘AOW koppelen aan uurloon van 16 euro brengt solidariteit uit balans’, ESB, 18 september 2023. (https://esb.nu/aow-koppelen-aan-uurloon-van-16-euro-brengt-solidariteit-uit-balans/)

De halfjaarlijkse verhoging van de AOW is gekoppeld aan die van het minimumloon, die doorgaans is gekoppeld aan de stijging van de cao-lonen. Maar de laatste twee jaar is besloten het minimumloon extra te verhogen. In 2023 ging het om een stijging met zo’n 13% terwijl het minumumloon in de eerste helft van 2024 bijna 19% hoger zal zijn dan de eerste helft van 2023. Mathijs noemt dat ‘betaalbaar’. Ik vraag mij af of ondernemers dat ook zo zien. Toen tot deze sterke verhogingen werd besloten, kwam de vraag op of de AOW wel evenredig moest worden verhoogd. Uiteindelijk is daartoe besloten al wordt een deel van de verhoging via fiscale maatregelen weer teruggehaald. Volgens Mathijs en veel andere economen is een en ander dus ‘onbegrijpelijk en onbetaalbaar’.

De sterke verhogingen van het minimumloon worden gemotiveerd met de stelling dat ze nodig zijn voor de bestaanszekerheid van de mensen met een dergelijk inkomen. Dat lijkt me dan ook te gelden voor gepensioneerden voor wie de AOW de enige of veruit de grootste inkomensbron is. Dat zullen Mathijs e.a. niet tegenspreken, maar het probleem in hun ogen is dat de verhoging van de AOW voor iedere gerechtigde geldt terwijl het voor de bestaanszekerheid van veel gepensioneerden niet echt nodig is.

Mij gaat het hieronder om de redenering die Mathijs en veel andere economen volgen. Ik zal daarbij de Nederlandse situatie vergelijken met die in andere landen. De OECD brengt elke twee jaar een lijvig rapport uit met veel informatie over pensioenvoorzieningen. Daar put ik uitvoerig uit.

Lage armoede door veel te sparen voor de oude dag

Het klopt dat de armoede onder ouderen in ons land laag is. Die is volgens de OECD-cijfers lager dan onder de hele Nederlandse bevolking en ook lager dan in de meeste andere landen. De vraag is hoe dat komt.

De eerste tabel toont wat door de overheden in diverse landen wordt uitgegeven aan ouderen- en wezenpensioen als percentage van het BBP.

Tabel 1. Overheidsuitgaven aan ouderen- en wezenpensioenen als % BBP (2019)

VK4,9
Nederland5,0
Zwitserland6,4
Zweden7,0
VS7,1
Noorwegen7,1
Denemarken8,1
Duitsland10,4
België10,7
Spanje11,3
Portugal12,4
Frankrijk13,4
Italië15,9
Bron: OECD, ‘Pensions at a Glance 2023’, tabel 8.2, p. 211

Deze tabel suggereert dat het Nederlandse pensioenstelsel geen zware last is voor de overheidsbegroting in vergelijk met verreweg de meeste andere landen. Onze AOW is zeker niet exceptioneel hoog in internationaal perspectief. Het percentage van het BBP dat de AOW de overheid kost is trouwens opmerkelijk stabiel en fluctueert al decennialang rond 5% ondanks de vergrijzing. Dat betekent natuurlijk niet dat het percentage niet zal oplopen bij een forse verhoging van de AOW.

Internationale vergelijkingen laten al heel lang zien dat de gemiddelde Nederlander een veel kleinere inkomensdaling ondervindt bij pensionering dan inwoners van andere landen. Maar dat is dus niet dankzij de AOW, zoals tabel 1 laat zien. De conclusie is simpel. Nederlanders betalen zelf voor hun comfortabele pensioenen. Dat blijkt ook uit de cijfers van de OECD. Zoals tabel 2 laat zien is de effectieve premiedruk voor verplichte pensioenvoorzieningen in Nederland met afstand de hoogste in de weergegeven groep landen.

Tabel 2. Premie voor verplichte pensioenvoorzieningen (excl. premie betaald door de overheid) als % van het gemiddelde inkomen (2022)

Nederland23,2
VK16,4
Zwitserland12,9
Zweden11,5
Frankrijk11,3
Noorwegen10,0
Duitsland9,3
Italië9,2
België7,5
Portugal7,2
VS5,3
Bron: Eigen berekeningen op basis van OECD, ‘Pensions at a glance 2023’, tabel 8.1, p. 209

Natuurlijk kun je desondanks stellen dat de AOW niet met het minimumloon omhoog hoeft omdat onze gepensioneerden in internationaal perspectief een goed inkomen hebben. Er moet direct aan worden toegevoegd dat Nederlanders daar dan ook zelf fors voor betalen.

Armoede onder Nederlandse ouderen stijgt spectaculair volgens OECD-statistieken

In zijn column maakt Mathijs gewag van de lage armoede onder Nederlandse ouderen. Hier tekent zich echter een ronduit verontrustende ontwikkeling af die niet of nauwelijks aandacht krijgt in het publieke discours en kennelijk Mathijs en heel veel andere economen compleet ontgaat.

Opgemerkt zij dat het begrip ‘armoede’ niet eenduidig is. In Nederland berekent het CPB een ‘armoedegrens’. Als je inkomen daar onder valt, leef je in armoede. Voor internationale vergelijkingen is zo’n definitie moeilijk bruikbaar. De OECD definieert armoede in hun pensioenpublicatie als een inkomen dat tenminste 50% lager is dan het gemiddelde gezinsinkomen. Dan kun je armoedecijfers krijgen die niet overeenkomen met wat in nationale statistieken over armoede voorkomt, maar dat maakt de OECD-cijfers niet irrelevant of triviaal. De cijfers zeggen zeker iets over de relatieve inkomensontwikkeling van Nederlandse ouderen.

Het schokkende van de OECD-cijfers over armoede onder ouderen is dat die in ons land al jaren oploopt. Sterker nog, tabel 3 laat zien dat de armoede onder ouderen in Nederland in 2007 veel lager was dan elders, maar dat de verschillen snel aanzienlijk kleiner zijn geworden. Inmiddels gelden we zelfs niet eens meer als het land met de laagste armoede onder ouderen. Bij lange na zelfs niet. In de meeste landen in de tabel is de armoede onder ouderen tussen 2007 en 2020 gedaald, bij ons is die fors toegenomen.

Tabel 3. Armoede onder ouderen (%, inkomen lager dan 50% v.h. mediane beschikbare inkomen van huishoudens)

 20072020Verandering 2007-2020 in %-punten
Nederland1,66,5+4,9
Zweden9,911,1+1,2
VK12,213,1+0,9
Duitsland10,111,0+0,9
VS22,222,8+0,6
Frankrijk5,34,4-0,9
Portugal15,212,5-2,7
Zwitserland21,818,8-3,0
Noorwegen8,03,8-4,2
België13,58,6-4,9
Denemarken12,14,3-7,8
Spanje20,611,3-9,3
Bron: OECD, ‘Pensions at a Glance 2013, tabel 5.3, p.165 en idem 2023, tabel 7.2, p.199

Ronduit dramatisch is de verslechtering van de armoede-cijfers onder Nederlandse 76+ers zoals de volgende tabel laat zien. Zoiets is in geen enkel ander land in de OECD-publicatie gebeurd. Deze cijfers zijn zo schokkend dat het nauwelijks te geloven is dat er in Nederland geen aandacht voor is.

Tabel 4. Armoede onder Nederlandse ouderen naar leeftijdsgroep (%, inkomen lager dan 50% v.h. mediane beschikbare inkomen van huishoudens)

 65-75 jaar76+
20071,61,7
20142,55,5
20204,49,7
Bron: Diverse exemplaren van OECD, ‘Pensions at a Glance’: 2013, tabel 5.4, p. 165; 2017, tabel 6.3, p. 134; 2023, tabel 7.2, p. 199

Je zou bijna denken dat deze cijfers niet kunnen kloppen. Maar misschien is er toch een verklaring voor. Ons pensioenstelsel onderscheidt zich van dat in de meeste andere landen doordat een relatief groot deel van het pensioeninkomen wordt betaald uit een kapitaaldekkingsstelsel, de tweede pijler. Doordat de kapitaalmarktrente tot begin 2022 jarenlang trendmatig is gedaald en wij de marktrente gebruiken als disconteringsfactor voor de verplichtingen van pensioenfondsen, staan dekkingsgraden al jaren onder druk. Veel pensioenfondsen hebben daardoor jaren niet geïndexeerd. De indexatie-achterstand is in veel gevallen opgelopen tot 20%. Sommige fondsen hebben pensioenen zelfs nominaal gekort. Dit heeft het reële inkomen van gepensioneerden uiteraard geschaad.

Uiteraard staat dit los van de vraag of de AOW evenredig met het minimumloon moet worden verhoogd wanneer dat laatste incidenteel stevig wordt verhoogd. Maar het werpt een nuancerend licht op het argument dat de armoede onder ouderen laag is.

Afsluitend

Er is de laatste tijd het nodige te doen geweest over het verhogen van de AOW in lijn met de incidenteel forse verhogingen van het minimumloon. Daartoe is op initiatief van de Tweede kamer wel besloten. Volgens Mathijs Bouman en veel andere economen ‘onbegrijpelijk en onbetaalbaar’. Nederlandse gepensioneerden moeten niet zeuren, ze hebben het beter dan hun lotgenoten in veel andere landen en de armoede onder ouderen is laag, zo wordt er geredeneerd.

Uiteindelijk blijft het een politieke beslissing. Ik plaats twee belangrijke kanttekeningen bij de gedachtegang van Mathijs en anderen. Ten eerste is de inkomenspositie van de gemiddelde oudere in ons land beter dan die elders doordat wij tijdens ons werkzaam leven veel meer sparen voor ons pensioen dan in andere landen. Zo komt de overheid er makkelijk vanaf. Die zit met de AOW toch al voor een dubbeltje op de eerste rij in vergelijking met andere overheden.

Ten tweede moeten we niet vergeten dat er mensen zijn voor wie de AOW de enige of veruit de belangrijkste inkomstenbron is. Daarnaast blijkt uit OECD-cijfers dat de relatieve inkomenspositie van Nederlandse ouderen, vergeleken met hun leeftijdgenoten in andere landen al jaren verslechtert. Hoewel het begrip ‘armoede’ met voorzichtigheid moet worden gebruikt, laten OECD-cijfers zien dat vooral de inkomenspositie van mensen vanaf 76 jaar spectaculair is verslechterd. Dat komt zeer waarschijnlijk door het al jarenlang ontbreken van indexatie bij zeer veel pensioenfondsen. Het argument dat de armoede onder gepensioneerde Nederlanders zeer laag is in internationaal perspectief lijkt inmiddels verouderd.